Lüneburger Heide

duitsland-nedersaksen-luneburgerheide 01-1De Lüneburger Heide werd gevormd in de ijstijd. Tenminste drie keer drongen grote hoeveelheden gletsjerijs uit Scandinavië over de Oostzee het noorden van Duitsland binnen. Het kalkgesteente van het gebied werd door het ijs vemorzeld. De uit het noorden meegekomen enorme steenblokken werden door het ijs rondgeslepen. Door het opschuiven van aarde en stenen vormde het ijs heuvelruggen, die bij een volgende aanval van het ijs werden bijgewerkt tot ze mooi glooiend waren. Puin en leem zetten zich af en na het smelten van het ijs waren er enorme met zwerfkeien bedekte zandvlakten ontstaan. Langzamerhand begon er het een en ander te groeien en in de vroege middeleeuwen was het gebied bedekt met uitgestrekte bossen eikenbomen.

De bewoners van Lüneburg ontdekten in de middeleeuwen dat de bodem van de streek dikke zoutlagen bevatte. Men nam de zoutwinning ter hand en het zout werd grotendeels via Lübeck naar Scandinavië uitgevoerd. Lüneburg kwam tot grote welvaart- en dat is vandaag de dag nog steeds te zien.

De zoutwinning leidde indirect tot het onstaan van de Lüneburger Heide. Voor het stoken van de vuren onder de zoutpannen was hout nodig, veel hout. En zo verdwenen in de middeleeuwen de prachtige eiken stuk voor stuk, totdat er weer een kale vlakte was ontstaan. Er begonnen heideplanten te groeien en omdat men niet wist wat anders met het gebied te doen, liet men er heideschapen grazen. De schapen hielden de boomgroei tegen waardoor de heide zich steeds verder kon uitbreiden.

Deze diashow vereist JavaScript.

In het begin van de negentiende eeuw liepen er op de Lüneburger Heide nog zo’n 700.000 schapen rond. Later kwam men tot de ontdekking dat landbouw, veeteelt en bosbouw meer opleverden dan schapen en werd overgegaan tot ontginning van de heide. Tegenwoordig bestaat nog slechts een klein gedeelte van de Lüneburger Heide uit heidevelden en daarop grazen nog enige tienduizenden heideschapen. Zij zorgen ervoor dat de heide niet helemaal zal verdwijnen.

Vroeger was de Lüneburger Heide een verlaten en onherbergzaam gebied waar men liever niet kwam. Zelfs een romanticus zoals de schrijver Joseph van Eichendorff (1788-1857) had het over ‘de beruchte Lüneburger Heide’ en noemde het ‘een dorre vlakte waar zover het oog reikte geen boom, geen mens en geen huis te ontdekken viel’. De Deense sprookjesschrijver Hans Christiaan Andersen die de heide in 1831 bezocht dacht er heel anders over. Hij vond het een betoverend landschap. Later ontdekten ook landschapschilders de bekoring van de heide gevolgd door de schrijvers. De bekendste was Hermann Lös (1866-1914) die zijn zwerftochten over de heide beschreef en zelfs liederen over het landschap maakte. Door hem werd de Lüneburger Heide populair bij vele natuurliefhebbers.

Deze diashow vereist JavaScript.

Het aardige van de Lüneburger Heide is de grote variatie die het landschap biedt. Behalve de heidevelden zijn er prachtige beukenbossen, meren en beekjes, dennenbossen en weiden. De oude heidedorpjes zijn vaak met elkaar verbonden door landweggetjes waarlangs berken groeien.

Ligging: In het noordelijk deel van Nedersaksen. Gelegen tussen de rivieren Elbe en Aller oftewel ten zuiden van Hamburg en ten oosten Bremen.

Oppervlakte: 100 vierkante kilometer.

Mogelijkheden: Fietsen, wandelen, paardrijden, in de koets of per kano. Stedenbezoek in de omgeving (onder andere Bremen, Hamburg en Hannover).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *