Zwarte Zwaan (cynus atratus)

De zwarte zwanen, zoals deze in het Groninger Stadspark en het Noorderplantsoen,  komen van alle zwanensoorten  het meest in particuliere collecties voor. Ze zijn sterk, gemakkelijk te houden en redelijk winterhard.

Man en vrouw zijn bijna identiek: geheel zwart met witte slagpenuiteinden, grijs-zwarte poten, rode snavel met voorop een witte dwarsstreep en felrode ogen. Het vrouwtje is vaak wel iets kleiner met een kortere, dunnere hals, lichtere rode ogen, lichtere rood gekleurde snavel en minder sterk opgekrulde rugveren.

Meestal worden zwarte zwanen paarsgewijs gehouden. Soms zijn bij voldoende ruimte meerdere paren te houden, sterk afhankelijk van dominant territoriaal gedrag. Ze zijn geschikt voor grote vijvers met een diepte van minstens 60 cm en een groot grasperk.

Broedtijd in Nederland is meestal vroeg voorjaar of najaar, soms zelfs in de winter. Het legsel bestaat uit 5-7 eieren die bleekgrauw van kleur zijn.

Afwijkend van de knobbel- en zwarthalszwaan is dat bij de zwarte zwaan zowel man en vrouw elkaar tijdens het broeden aflossen. De broedduur is 5 weken.

Tijdens de broedtijd kan vooral de man nogal dominant, dreigend en zelfs wat agressief zijn. Hij jaagt andere vogels uit de nestomgeving weg en valt soms zelfs mensen aan. Bij het dreigen worden de hals gestrekt en kunnen er forse tikken met een vleugel worden uitgedeeld.

Het uitbroeden van de eieren en het opfokken van de zwarte zwanenkuikens is vrij gemakkelijk, ook voor beginnende liefhebbers. De kuikens hebben een grijs donspakje. Ringmaat: 20 mm. Kuikens van zwarte zwanen groeien vrij snel. Jonge vogels zijn dofbruin, grijsachtig gevlekt.

Zwarte zwanen komen van oorsprong voor in Australië, Nieuw-Zeeland, Tasmanië en Nieuw-Guinea. In Australië zijn de zwarte zwanen zeer talrijk.

Op favoriete grote meren vormen zich buiten het broedseizoen soms groepen van duizenden vogels.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *